Wat heeft literatuur met voetbal te maken en waar liggen de uitdagingen voor het letterenveld de komende legislatuur? Herlees hieronder de speech die directeur Paul Hermans gaf op de zomerdrink van Literatuur Vlaanderen.
Beste vrienden van de literatuur,
Vandaag werd het wereldkampioenschap voetbal op gang getrapt: Mexico tegen Zuid-Afrika. Et alors, hoor ik je denken. Wij zijn hiér vanavond. Voetbal kan ons gestolen worden, zeker als het plaatsvindt op het zogezegde ‘meest inclusieve en grootste sportevenement ooit’. Ik geef je geen ongelijk. Laat me abstractie maken van de valse politieke boodschap van het WK. Laat mij je vandaag tóch even meenemen naar een veld, mijn guilty pleasure als verwoed paninistickersverzamelaar. Geen voetbalveld met gras dat gisteren nog gemaaid is, maar een veld van woorden, zinnen en verbeelding.
Stel je voor:
De schrijver, daar staat hij, of zij, of hen op het veld. Soms een flamboyante spits, die met één plotwending het publiek laat rechtveren. Soms een middenvelder, die pagina na pagina het spel draagt, subtiel, intelligent, bijna onzichtbaar. En soms… een dichter. De doelman van het geheel. Vaak onderschat, maar als het moment daar is, doet hij iets wat niemand anders kan: een bal uit de lucht plukken met een zinnelijke capriool waar iedereen over napraat. En zoals in elke competitie: niet iedereen scoort evenveel. Maar dat betekent niet dat sommigen minder belangrijk zijn voor het spel.
Dan zijn er de clubs. Onze uitgeverijen. De topclubs, u kent ze: ze scoutten talent vroeg, investeren, bouwen sterren op en spelen internationaal. Een vertaling – dames en heren – is niets minder dan een Europese campagne. Maar vergeet de kleinere clubs niet. De opleidingsploegen. Tijdschriften, trajecten door literaire organisaties waar het experiment leeft, waar nieuwe spelers hun eerste minuten maken, waar risico nog geen vloekwoord is, maar een methode.
En dan, misschien wel het mooiste: de stadions. Onze boekhandels. Onze bibliotheken. Geen beton en lichtmasten, maar houten tafels en zorgvuldig samengestelde etalages. Daar waar het publiek samenkomt. Waar mensen niet alleen kijken, maar kiezen. Een boek oppakken is als een kaartje kopen: je weet niet exact wat je zal zien, maar je hoopt op een goede match. En soms – soms loop je toevallig binnen… en ga je buiten als supporter voor het leven.
En wat zou een wedstrijd zijn zonder die supporters? De lezers: sommigen trouw tot in de derde verlenging, anderen alleen aanwezig bij toppers en finales. Sommigen luid en kritisch, anderen stil en ontroerd.
En dan zijn er de kampioenschappen. De prijzen. Nobel en Alma, champions league. Libris, Boekenbon, Boon, de bekerfinale. Ze brengen glans, zichtbaarheid, geschiedenis. Maar je weet het net zo goed als ik: een boek kan verliezen en toch winnen. En een ander kan winnen… en snel vergeten worden.
En ergens langs de zijlijn staan ze: de critici, de journalisten. Ze analyseren, ze becommentariëren, ze spreken over “een sterke eerste helft, maar een zwakker slothoofdstuk”. We hebben ze nodig om het debat levend te houden of om ons te herinneren dat smaak een spel op zich is.
En misschien wel de belangrijkste schakel, vaak onzichtbaar: de vertalers. De spelmakers in de schaduw. Zonder hen geen internationale wedstrijden. Zij zorgen ervoor dat een doelpunt ook over de grens telt.
Wat mij zo aanspreekt in deze vergelijking, is dit: in beide werelden gaat het om meer dan winnen. Het gaat om stijl. Om durf. Om samenspel. Om momenten die je bijblijven, lang nadat de wedstrijd – of het boek – voorbij is.
Voetbal en literatuur lijken elkaars tegenpolen, maar beide doen hetzelfde fundamentele werk: ze brengen mensen samen rond een gedeelde ervaring, geven vorm aan een “wij”, en openen de mogelijkheid om zich in de ander te verplaatsen. Telkens opnieuw ontstaat er iets wat groter is dan het individu: een gemeenschap, gedragen door emotie, verbeelding en herkenning. Een onuitgesproken gemeenschap tussen schrijver en lezer. Een gemeenschap tussen lezers onderling.
In zo’n gemeenschap hopen we allemaal op dat ene moment waarop alles klopt, en iemand rechtstaat en zegt: “Dit was magisch.”
The Untold
Voor mij was onze vijfentwintigste verjaardag magisch. We vierden dat met z’n allen hier, op deze plek, ongeveer een jaar geleden. Niet zozeer dat zilveren jubileum op zich was bijzonder, maar het gevoel van samenhorigheid in de sector. Het feit dat alle geledingen vandaag samenwerken aan een groter verhaal. Dat steeds meer makers en organisaties ons weten te vinden, dat programma’s zoals Boekstart, de Boon of Boektopia succesvol groeien. Dat we als BoekenOverleg een gedragen rapport neerleggen over de gereglementeerde boekenprijs, dat we het voortouw willen nemen als sector om de spelregels rond AI mee te bepalen zodat we de kansen benutten maar de bedreigingen beteugelen.
Allemaal voorbeelden van een dynamisch veld dat zichtbaar maakt wat literatuur vermag, en waarom ze ertoe doet.
Helemaal op het einde van 2025 keurde de Vlaamse regering onze nieuwe beheersovereenkomst voor de komende vijf jaar goed. De toelage voor Literatuur Vlaanderen bedraagt vanaf dit jaar, 2026, 14 miljoen euro per jaar door een bijkomende regierol in het kader van ‘Ieder kind taalheld’, het actieplan ter versterking van het Nederlands met het oog op gelijke onderwijskansen. Deze regierol is goed voor 2,8 miljoen per jaar. Daarnaast blijft het budget voor de reguliere werking met 11,2 miljoen per jaar op dezelfde hoogte.
Dat er in de huidige besparingscontext amper aan de middelen voor de letterensector wordt geraakt is een flinke opsteker. Dat neemt niet weg dat we een oefening in prioritering en strategische keuzes in de subsidies en projecten maken, mede in het licht van de sterke toename van subsidieaanvragen de laatste jaren.
De cijfers van 2025 spreken voor zich. Meer dan 3,4 miljoen euro ging naar de directe ondersteuning van makers. Achter dat bedrag schuilt geen abstract beleid, maar concreet vertrouwen: vertrouwen in het werk van auteurs, illustratoren en vertalers. Vertrouwen dat tijd, aandacht en concentratie geen luxe zijn, maar voorwaarden voor kwaliteit. Want een boek ontstaat niet snel. Een stem ontwikkelt zich niet op commando. Literatuur vraagt ruimte, en precies die ruimte proberen wij te creëren.
Dat blijkt ook uit de werkbeurzen, nog altijd het kloppende hart van onze werking. Achter elk van die beslissingen zit een overtuiging: dat het werk dat vandaag nog onzichtbaar is, morgen zijn weg kan vinden naar een publiek. Tegelijk toont het groeiende aantal aanvragen hoe groot de behoefte is in het veld en hoe scherp de keuzes blijven.
Want elke toegekende beurs staat ook voor een ander project dat moet wachten of geen doorgang vindt. Dat besef verplicht ons tot helder beleid. Het is de reden waarom we expliciet inzetten op versterking en bestendiging: geen ideetjes van de dag, maar meer inzicht om de regelingen die het verschil maken nog impactvoller te laten zijn. Zo wordt een werkbeurs sinds 2025 doorgaans meteen voor twee jaren aan een auteur toegekend, in plaats van één. Deze wijziging biedt de auteurs meer financiële zekerheid. Daarnaast geeft het de commissies een beter en breder zicht op de evolutie van aanvragers.
Intussen zijn de werkbeurzen voor dit jaar ook gekend: van de in totaal 326 aanvragers zullen maar liefst 207 auteurs een werkbeurs ontvangen. In vergelijking met 2020 vroegen dubbel zoveel makers een beurs aan. Aangezien de beschikbare middelen niet stijgen, ligt de kwaliteitslat erg hoog. In ieder geval: literatuur is springlevend.
The Untold
Ook buiten het schrijven zelf blijft literatuur zich manifesteren. Op podia, in klaslokalen, in bibliotheken. Vorig jaar vonden meer dan 3.300 gesubsidieerde auteurslezingen plaats. Dat zijn geen bijkomstige activiteiten. Dat zijn momenten waarop literatuur haar meest directe vorm aanneemt: de ontmoeting. Daar, in die ontmoeting, gebeurt iets wezenlijks. Een auteur spreekt. Een lezer luistert. En plots ontstaat er verbinding tussen werelden, achtergronden en perspectieven. Dat die auteursontmoetingen blijven groeien, is hoopgevend. Dat ze tegelijk vragen om blijvende ondersteuning en doordachte verankering is evident.
Leesbevordering is geen project. Het is een werk van lange adem en het vereist samenwerking. Met ‘Ieder kind taalheld’ wil de Vlaamse overheid de kennis van het Nederlands versterken en zo bijdragen aan gelijke onderwijskansen. Centraal staat het idee dat een sterke taalontwikkeling niet alleen een taak voor het onderwijs is maar ook een maatschappelijke opdracht. Via literatuur wordt taal versterkt en taalplezier aangeboord, en raken lezers verbonden. Daarom werken ook Literatuur Vlaanderen en Iedereen Leest mee aan het actieplan.
Onder meer met een nieuwe subsidieregeling die de leesbevorderende rol van bibliotheken wil ondersteunen. Om deze regeling in de verf te zetten organiseerden we afgelopen weken een roadshow in elke provincie en Brussel voor alle bibliotheekmedewerkers. De interesse was alvast erg groot met meer dan 400 deelnemers of 77% van alle 292 bibliotheken die present waren op één van de sessies.
‘Ieder kind taalheld’ is een langetermijnverhaal. De focus van Literatuur Vlaanderen en Iedereen Leest ligt niet op snelle, geïsoleerde ingrepen, maar op duurzame professionalisering.
In dit kader zijn de nieuwe minimumdoelen voor kleuter- en lager onderwijs een heel goede zaak. Het is de eerste keer dat literatuur expliciet op hetzelfde niveau staat als lezen, schrijven en mondeling taalgebruik binnen het vak Nederlands. Leerlingen worden aangezet tot het lezen van boeken. De nadruk ligt op bekroonde boeken met expliciete verwijzingen naar onder andere de Boon voor jeugdliteratuur en de Leesjury. Door die impuls van binnenuit bereiken we elke leerkracht, ook wie nog niet overtuigd is.
Want lezen kost moeite. Het vraagt doorgedreven aandacht van véél mensen in een doorgaande leeslijn van baby tot bejaarde. De wereld wordt complexer en het belang van lezen zal dus alleen maar toenemen. Daarom is het cruciaal dat lezen in zijn transversaal belang kan groeien. Net als sporten en gezond eten is lezen een basisbehoefte vanaf de geboorte.
The Untold
Dat transversaal belang van lezen en literatuur kan niet worden onderschat. In dat kader is het feit dat Vlaanderen geen indexering voorziet voor structurele organisaties zoals Iedereen Leest, Poëziecentrum of Stripgids (het gaat om 10 organisaties) op zijn minst contestabel.
Terwijl personeelskosten automatisch toenemen door indexering en anciënniteit, blijven de beschikbare werkingsmiddelen achter. Andere culturele organisaties kunnen rekenen op een automatische indexering. Binnen het literaire veld is die afwezig.
Structurele indexering is géén groeivraag, maar een noodzakelijke voorwaarde voor beleidsmatige continuïteit. Zonder die indexering zullen organisaties steeds meer middelen moeten verschuiven van inhoudelijke werking naar vaste kosten. Daardoor dreigt Vlaanderen de komende jaren minder auteurs te ondersteunen, minder lezers te bereiken en minder kansen te creëren voor nieuwe generaties makers. De verschraling zal zich niet uiten in één grote sluiting, maar in een geleidelijke afbouw van activiteiten, expertise en bereik. Op langere termijn dreigt daardoor ook de maatschappelijke positie van literatuur te verzwakken.
Wat op het eerste gezicht een technische discussie over indexering lijkt, gaat uiteindelijk over de toekomst van literatuur, lezen en cultuurparticipatie in Vlaanderen.
The Untold
Tot slot, benadruk ik graag dat dat gevoel van samenhorigheid niet stopt aan de grens. Het belang van uitwisseling, samenwerking en duurzame internationale netwerken was nooit groter dan nu. Als het gaat om vertalingen bijvoorbeeld is het zaak om minstens op Europese schaal aan hetzelfde zeel te trekken, willen we ook binnen 10 jaar nog elkaars literatuur kunnen lezen. De context waarin vertalers vandaag moeten werken is op zijn zachtst gezegd broos. De alomtegenwoordigheid van AI maakt het er niet makkelijker op.
De visie van Literatuur Vlaanderen vertrekt vanuit het vertrouwen in de unieke meerwaarde van menselijke vertalers. De echte dreiging is niet dat kunstmatige intelligentie de menselijke capaciteit zal overtreffen. Het is de misplaatste en ongeïnformeerde gedachte van de goegemeente die ervan uitgaat dat een algoritme de emotie en creativiteit volledig kan repliceren en dat literaire vertalingen evengoed door machines kunnen worden gedaan. Quod non.
Ik was vorige week in Noorwegen op een bijeenkomst van Enlit, het Europese netwerk van organisaties die literaire vertalingen steunen met een grant, een beurs. Overal leven dezelfde vragen. En wat goed is, overal leeft dezelfde urgentie. AI biedt voordelen, zeker, als hulpmiddel, maar het is geen vervangmiddel. Europa lijkt dat wel te beseffen. Een mooi voorbeeld hiervan is CELA, het internationale talentontwikkelingstraject dat voor literair vertalers opleiding, praktijkervaring, netwerkvorming en internationale zichtbaarheid combineert, waar hier bij ons deBuren één van de kernpartners is.
Kortom: het werk is niet af. Ons meerjarenplan spreekt over “kruissnelheid”. Een woord dat misschien technisch klinkt, maar in essentie verwijst naar iets eenvoudigs: de ambitie om stabiliteit en beweging te verzoenen. Om te blijven investeren, te blijven verbinden, te blijven vernieuwen – zonder telkens opnieuw te moeten beginnen.
Literatuur vraagt continuïteit. Ze is het resultaat van gezamenlijke inspanningen: van makers, van partners, van beleidsmakers. Want uiteindelijk is literatuur geen beleid. Ze is een praktijk. Geen systeem, maar een verhaal. En dat verhaal schrijven we samen.
Paul Hermans speecht op de zomerdrink van Literatuur Vlaanderen.
©The Untold