Lars Bernaerts over de adviescommissie literaire tijdschriften

Over Literatuur Vlaanderen 12 mei 2026

Als professor moderne Nederlandse letterkunde aan de UGent weet Lars Bernaerts hoe belangrijk tijdschriften zijn voor de literatuurgeschiedenis. “Ze zijn vaak een motor van vernieuwing en veel auteurs krijgen er hun eerste podium. Ik vond het dan ook interessant om dat veld eens van dichtbij te volgen als lid van de adviescommissie literaire tijdschriften.”

De adviescommissie literaire tijdschriften komt meerdere keren per jaar samen, om de nummers en de werkingsverslagen te bespreken. Recent werden de subsidies toegekend voor de periode 2026-2029. “Het subsidiebedrag kwam pas op het einde ter sprake”, zegt Bernaerts. “Eerst ging het over literaire kwaliteit, een moeilijk te definiëren begrip, maar wel iets waar de commissie integer mee omsprong. Daarnaast waren er criteria zoals de soliditeit van het zakelijke plan en de werking van de redactie. Maar het vertrekpunt van onze gesprekken was altijd: wat verschijnt er in die tijdschriften en wat draagt dat bij aan het literaire veld?” 

Wat neem je mee van de ervaring als commissielid?

“Ik vond het boeiend om te zien hoe elk tijdschrift een eigen profiel heeft en vanuit dat profiel bijdraagt aan de literatuur. Als commissielid zie je heel concreet welke impulsen er worden gegeven, omdat je ook de plannen en verslagen leest. Sommige tijdschriften brengen auteurs samen rond een thema en laten hen zo met elkaar in dialoog gaan. Andere bieden een belangrijk podium aan debuterende schrijvers en minder bekende stemmen.”  

Het was een diepe duik in het rijke tijdschriftenlandschap. Als commissielid lees je alle nummers van de gesubsidieerde tijdschriften, maar probeer je ook het bredere veld te begrijpen. Wat gebeurt er in Nederland? Hoe zit het internationaal? En hoe positioneren Vlaamse tijdschriften zich daarin?

Lars Bernaerts

Wat blijft je bij uit de dossiers die passeerden? 

“Vooral het grote engagement van de redacties. Veel werk gebeurt achter de schermen en vaak door vrijwilligers. De redacties van literaire tijdschriften zetten zich enorm in voor de literatuur.”  “Ook de diversiteit van het veld viel me op. De waaier aan tijdschriften beperkt zich niet tot één poëtica of één visie op literatuur. Er zijn veel verschillende invalshoeken: van theoretisch tot gericht op nieuw talent, van gevestigde tot experimentele tijdschriften, van online platforms tot tijdschriften op papier…”   

Wat me ook trof, is het historische besef van verschillende tijdschriften. Aan de ene kant zijn ze plekken waar de literatuur van de toekomst ontstaat. Aan de andere kant hebben ze oog voor hun eigen geschiedenis en voor de literatuurgeschiedenis. Die combinatie vind ik bijzonder mooi.

Wat is je gouden tip voor wie een subsidieaanvraag wil indienen? 

“Vertrek vanuit je eigen visie op literatuur en op het tijdschrift dat je wil maken, en laat de rest daaruit voortvloeien. De valkuil is soms dat tijdschriften zich proberen voor te stellen wat een commissie graag wil lezen. Maar het werkt beter als je vertrekt van je eigen missie en visie. De commissie gaat immers na hoe alles samenhangt. Uiteraard is het reglement belangrijk en toetsen we de aanvragen daaraan, maar het gaat ook over het profiel van een tijdschrift binnen het bredere veld.”