“Taal is meer dan een gebruiksvoorwerp"

Actueel 12 september 2022
Joost Oomen en Raf Njotea
©

Mathias Hannes

Raf Njotea en Joost Oomen zijn samen ambassadeur van de Week van het Nederlands. Wat hen verbindt? De liefde voor onze gemeenschappelijke taal die ze, de ene als essayist en de andere als dichter, telkens opnieuw beleven. “Dat het een mooie, of een ‘schone’ taal is”, concludeerden ze beiden na hun eerste ontmoeting. Maar ook de vraag wat dan ‘mooi’ of ‘correct’ Nederlands is, prikkelde hen. Een gesprek met Raf Njotea over 'schoonheid', het thema van de Week van het Nederlands.

De schoonheid van onze taal vertaalt zich in vele facetten, zegt Njotea. Eerst en vooral wordt ze alsmaar rijker, merkt hij als scenarist op. “In scenario’s moeten we steeds vaker emoji’s verwerken. Alleen kan de meeste scenariosoftware die niet tonen, en moet je ze ironisch genoeg dus terug in woorden gaan beschrijven. Maar ik vind het absoluut een verrijking, dat beelden als het ware onze taal binnensluipen.”

Sms-taal en beeldcultuur

Njotea geeft toe dat de opkomst van sms-taal en de groeiende beeldcultuur risico’s inhouden voor de taal. “Mogelijks krimpt de hoeveelheid woorden waarover we beschikken, of verliezen jongeren voeling met spelling en grammatica. Maar dat hoeft geen struikelblok te zijn, want via social media en de sms-cultuur ontstaan er net ook veel nieuwe woorden.”

Dat we meer en meer letten op ons woordgebruik, zodat we niemand kwetsen, vindt Njotea een goeie zaak. “Uiteraard kun je met taal mensen kwetsen. Dat moet ook kunnen, wat niet betekent dat we het daarom moeten doen. Sowieso is het verstandig dat je begrijpt waarom een bepaalde term of woord iemand pijn doet. Het behoeft enkel een open houding, de wil om te begrijpen waarom. Taal is meer dan een gebruiksvoorwerp, al moet je soms wel wat moeite doen. Taal, op een attente manier gebruikt, heeft de kracht om te verbinden.”

Gouden aanvraagtip van Raf

"Probeer iets te leren van alle feedback die je krijgt, verlies je eigen stem niet en geef niet te snel op. Zo had ik op mijn vierentwintig door dat scenarioschrijven iets voor mij was. Als een gek ben ik me gaan bijscholen. Pas toen ik dertig werd, en wel na vier pogingen, werd ik aanvaard voor het toenmalige scenarioatelier van het VAF, en kreeg ik een coach en een werkbeurs voor zes maanden toegewezen.”